Interview Aviva Silver

In het kader van MEDIA Magazine 2012 hadden wij op 27 oktober 2011 een interview met Aviva Silver, hoofd van het MEDIA Programma binnen de Europese Commissie. Hieronder vind je de uitgebreide versie van dit gesprek. De beknopte versie vind je in de digitale versie van ons opkomende MEDIA Magazine 2012.

Toen ik je in 2009 interviewde voor het MEDIA Magazine 2009, hadden we het over de belangrijkste evoluties van het MEDIA Programma sinds 2007. Je vertelde me toen dat voornamelijk de aanvragen van producenten zo sterk gestegen waren. Wat zijn de evoluties van de laatste twee jaar in het MEDIA Programma?

De aanvragen voor ontwikkelingssteun zijn nu gelukkig tot stilstand gekomen. We krijgen echter nog steeds veel meer aanvragen dan onder MEDIA Plus, het vorige MEDIA Programma.

MEDIA Mundus loopt sinds begin 2011 en het gaat heel goed. We zijn met een aantal projecten begonnen waarvan ik de resultaten qua internationale samenwerking heel aanmoedigend vind. De projecten gaan van verschillende trainingsprogramma’s tot cross-over-projecten die bijvoorbeeld training en markttoegang verbinden. Zo is er Cartoon Connection in Korea, de Latijns-Amerikaanse filmmarkt Ventana Sur, Europa Cinemas International dat arthousecinema’s in derdewereldlanden verbindt met Europese, en vele andere. We beschikken in 2012 opnieuw over 5 miljoen euro.

Ook is het MEDIA Production Guarantee Fund sinds mei 2011 operationeel. Dit is een mechanisme dat financiële instituten stimuleert om geld te lenen aan producenten. De Europese Commissie heeft in totaal 4 miljoen euro ter beschikking, waarvan tot nu toe bijna 1 miljoen is toegekend. Dat miljoen bracht ongeveer 18 miljoen in bankkredieten op. Het systeem heeft een heel grote hefboomkracht.

De vraag is of de parameters aangepast moeten worden qua bereik en doelstellingen. Het verschil tussen wat wij met subsidies en met garanties doen, is immers dat subsidies rechtstreeks aan begunstigden – audiovisuele professionelen – worden gegeven. Bij garanties is het een kwestie van de banken te motiveren om geld uit te lenen. Dit betekent dat we moeten bekijken in welke mate we hun projectkeuze beïnvloeden. En dat is veel ingewikkelder.

Door het succes van het mechanisme, wordt het Production Guarantee Fund in de toekomst uitgebreid?

Het doel momenteel is om ons aan te passen aan de nieuwe omgeving, waarin toegang tot financiering zelfs nog moeilijker is. Eén van de dingen die me echt choqueerden, was toen ik met een afgevaardigde van een Brits investeringsfonds aan het praten was. Zij bieden 14% return on investment aan. Dat geeft je een idee van wat producenten betalen voor de gap financing

Tegelijk willen we ook de mentaliteit van de sector veranderen en bepaalde activiteiten stapsgewijs wegnemen van het subsidiesysteem. Maar dan spreken we over heel lange termijn. In het nieuwe programma Creative Europe (2014-2020) wordt inderdaad een aanzienlijke som geld gestoken in een veel grotere garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sector.

Kan je wat meer vertellen over Creative Europe en deze nieuwe garantiefactiliteit?

Creative Europe, de voorgestelde opvolger van het MEDIA Programma, bestaat uit drie pijlers. Twee daarvan zijn de opvolgers van het MEDIA en Cultuurprogramma. Het MEDIA-deel is enkel voor MEDIA-begunstigden, het culturele deel is voor de rest van de culturele en creatieve sector. Dan is er een derde deel, waarvan het belangrijkste element een garantiefaciliteit is, die toegankelijk zal zijn voor bepaalde sectoren.

Bij de aanvang zal bekeken moeten worden welke sectoren er precies baat bij hebben, maar wij vermoeden dat cinema, tv en videogames de eerste sectoren zullen zijn om hier voordeel uit te halen. Deze sectoren hebben namelijk twee voordelen: zij zijn investment ready en ze zijn vertrouwd met de hele constructie van budgetten en financiële en businessplannen. Ze zijn het ook gewoon om met meerdere partners samen te werken, om borg te staan voor een deel van hun producties, om te zoeken naar debt of gap financing. Omwille van deze redenen, zijn zij volgens ons de primaire gebruikers van dit mechanisme, dat we later graag zouden uitbreiden naar andere sectoren.

De financiële enveloppe voor Creative Europa is overigens back-loaded; dat wil zeggen dat hij begint op het niveau dat we nu hebben, en over de tijdsspanne van 7 jaar groeit. Dit betekent dat we niet alle nieuwe dingen kunnen starten van bij het begin.

Vanwaar de verschuiving van subsidies naar stimuleren van leningen?

Er zijn twee belangrijke trends. Enerzijds is er de trend van de Europese Commissie. Dit is het huidige denken over beleid. Concreet leeft de idee dat innovatieve financiële instrumenten extra hefboomkracht hebben en private financiering of zelfs financiering van de lidstaten kunnen binnenhalen. Vanuit dat opzicht werd het werk dat we met het MEDIA Production Guarantee Fund leverden bijna als avant-gardistisch beschouwd. We waren echt iets aan het uitproberen dat de Commissie, door het succes ervan, nu beschouwt als good practice.

De tweede trend is specifiek aan onze sector. Ondanks het KMO-beleid van de Commissie via het Competitiveness and Innovation Programme (CIP), hebben de audiovisuele KMO’s daar nooit voordeel uit gehaald. De reden daarvoor is dat audiovisuele KMO’s hun eigen specificiteit hebben. Ze zijn niet noodzakelijk op zoek naar schaalvoordeel, ze doen niet aan fabricage, ze zitten niet in een repetitieve dienstenindustrie. Omwille van hun unieke profiel hebben ze geen baat bij andere programma’s. Dit is deels de reden waarom wij vinden dat wij onze eigen faciliteit nodig hebben.

Tegelijk ondersteunt het ook de realiteit van de sector waarin toegang tot financiering steeds moeilijker wordt en er maar een beperkt aantal fondsen beschikbaar zijn in de vorm van subsidies. Is het niet belangrijk om de manier te veranderen waarop men toegang krijgt tot financiering – en dus hoe financiering gestructureerd wordt voor de industrie? Of we dit kunnen verwezenlijken met relatief lage sommen geld, moet nog bekeken worden. Maar er is een groot hefboomeffect in termen van geld dat op deze manier in de sector wordt gestoken. Deze garantiefondsen stimuleren een commerciëlere kijk bij de mensen die een aanvraag indienen.

Wil het feit dat MEDIA en het Cultuurprogramma onder een koepel komen, zeggen dat er onderling meer links zullen zijn?

Nee, dat is althans niet het plan. Wat wel het plan is, is dat de derde pijler niet enkel het garantiefonds zou omvatten, maar ook enkele dwarslopende, cross-sectorale projecten, bijvoorbeeld een mix tussen muziek en film. Misschien zullen we na 2020 een andere aanpak hebben, maar op dit moment houden we de twee programma’s gescheiden. De industrie is daar ook zeer sterk voorstander van. Daarbij komt nog dat de doelgroepen zeer verschillend zijn, en ook al mogen bepaalde activiteiten dezelfde doelstellingen hebben, de manier waarop ze gerealiseerd worden verschilt zeer sterk.

Wat zal mogelijk veranderen binnen de MEDIA-pijler van Creative Europe?

De vraag is of i2i zal blijven voortbestaan naast het MEDIA Production Guarantee Fund. Er zijn vragen over de digitalisatie van cinema’s; moet dit niet eerder opgevangen worden door de structurele fondsen, in het bijzonder wat betreft de omvang van de nodige financiering? Dus ja, er zijn vraagstukken over wat er opgenomen zal zijn en welke vorm de maatregelen zullen aannemen.

Ook over MEDIA-steun aan tv-drama is de laatste jaren heel wat discussie geweest. De vraag is naar voor gekomen of we de steun niet eerder moeten verlenen aan grote series zoals The Borgias, een tv-productie met een budget van 24 miljoen euro. Aan deze reeks hebben we trouwens een grote som geld gegeven.

De vraag wordt gesteld of we moeten voortgaan met het steunen van individuele drama tv-programma’s, of we meer van onze steun moeten geven aan internationale coproducties. Je moet in gedachten houden dat heel belangrijke Amerikaanse series enorm veel geld opbrengen en in de meeste Europese lidstaten tijdens primetime uitgezonden worden. De maatregel ter ondersteuning van tv-productie wil de productie van meer Europese belangrijke dramaseries stimuleren, zoals Carlos, The Borgias, The Tudors,…

Hoe flexibel wordt Creative Europe?

Het MEDIA Programma is een wettelijk instrument dat ten uitvoer gebracht wordt via richtlijnen en oproepen tot voorstellen. De wettelijke basis voor MEDIA 2007 was heel gedetailleerd. Je kon er ongeveer alle steunmaatregelen in herkennen. Er zijn grote inspanningen gedaan om de wettelijke basis te vereenvoudigen, dus in bepaalde opzichten is het nu moeilijker om te begrijpen wat erin staat. Dat maakt ook dat we tijdens de periode 2014-2020 meer veranderingen op korte termijn kunnen doorvoeren. Dus ja, Creative Europe wordt vrij flexibel. 
Een andere vereenvoudiging is dat het MEDIA-pijler zowel MEDIA als MEDIA Mundus zal omvatten.

Even naar België: merk je bepaalde trends op wat de deelname in het MEDIA Programma betreft?

Ik heb natuurlijk het verschil gezien toen de MEDIA Desk naar hetzelfde gebouw als het Vlaams Audiovisueel Fonds verhuisde. Ik heb niet naar de statistieken gekeken, maar ik heb het gevoel dat ik sindsdien meer contact heb met Vlaamse begunstigden. Ook in Berlijn of in Cannes merk je dat men zich meer bewust is van de Vlaamse professionelen.

Ik ben ook blij dat de MEDIA Desks van de Vlaamse en de Waalse Gemeenschap inspanningen hebben gedaan om samen te werken. Synergie is belangrijk naar de sector toe. De markt zelf is aan het uitbreiden, ze is veel internationaler dan vijf jaar geleden. Via coproducties, trainingen en andere initiatieven worden er mogelijkheden gecreëerd om zich uit te strekken, interessantere projecten te creëren en nieuwe partners te vinden. Taal zou hierbij geen struikelblok mogen zijn. Ook cultuur wordt jammer genoeg vaak als een barrière gezien. Natuurlijk zijn er unieke verhalen voor de Vlaamse markt, maar heel veel verhalen zijn ook universeel. Het gaat erom een plaats te vinden in de markt die steeds meer overbevolkt geraakt.
Ik weet bijvoorbeeld dat Universciné zowel Vlaamse als Waalse films op zijn website aanbiedt, ondanks de kleine markt. Met een cataloog van Vlaamse films ben je niet veel. Je moet je ten minste aansluiten bij het Franstalige aanbod, of zelfs bij een meer Europees filmaanbod. Wanneer ik met Brazilianen of Chinezen praat en zij mij vertellen dat ze graag een pakket van minstens 100 Europese films willen voor hun Video on Demand-diensten, dan moet ik hen teleurstellen. Waar vind je dit in Europa op dit moment?

Hoe ziet de toekomst van de Europese film op het vlak van digitale distributie eruit?

Tegenwoordig komen Europese bioscoopfilms uit per nationale markt, gebaseerd op succes. Als we echter naar de films kijken die nooit in de bioscoop komen, die in te weinig kopieën verspreid worden of die een andere releasestrategie hebben, dan moeten we een manier vinden om die films op de juiste platforms te krijgen.  Daarom zijn we heel blij dat het Europese Parlement gestemd heeft voor een voorbereidende actie die ons in 2012 twee miljoen euro budget zal geven om nieuwe distributievormen te testen, zoals day-and-date of Subscription-VoD. Dit zijn business models die de meer avontuurlijke operatoren momenteel aan het uittesten zijn. In het begin stond men daar heel sceptisch tegenover, maar nu is men overtuigd door de cijfers. Er is zoveel gaande, maar het is niet duidelijk wat het winnende businessmodel is, of hoe je rechthebbenden of platforms overtuigt om ze te proberen.

Interview door Bert Lesaffer van MEDIA Desk Vlaanderen op 27 oktober 2011.